In haar tijd was Andrée Bonhomme uiteraard zelf de grootste
pleitbezorgster van haar werk. Haar eerste komposities werden opgedragen aan
mensen uit haar naaste omgeving, veelal niet-vakmusici. In de jaren dertig en
veertig waren het de dirigent Henri Hermans en de violist Jules Dreissen, die
zich voor haar werk inzetten, ieder op zijn eigen manier.
In de jaren vijftig waren het de dirigenten Henri Heydendael en Gerard Kockelmans,
die zich over haar werken voor mannenkoor ontfermden, terwijl in de jaren zestig
Christa Wolfs, Monny Kremer, Jo Mertens en andere naaste collegae van de Heerlense
Muziekschool met regelmaat haar komposities ten gehore brachten. Na 1972 werd
dit echter onmogelijk.
Na haar pensionering aan de Heerlense Muziekschool bleef Andrée Bonhomme
nog enkele lessen geven. De bedoeling was dat zij dit zou blijven volhouden
tot haar laatste leerlingen een zeker niveau zouden hebben bereikt. Helaas veroorzaakte
een hersenbloeding in 1972 dat zij hiermee moest stoppen. Het is typerend voor
haar karakter - misschien geen positieve eigenschap - dat zij daarmee bewust
de banden met haar vak verbrak. Het afscheid zou haar teveel pijn hebben gedaan
en zij wilde dit voorkomen door bewust zelf het besluit te nemen: 'ik kan mijn
vak niet meer uitoefenen, ik neem afstand van mijn vak.' Zij was sindsdien over
haar vak en over 'vroeger' moeilijk meer aanspreekbaar, bezocht geen concerten
meer en luisterde niet meer naar muziek. Tegen haar zuster Annie maar ook tegen
kennissen zei ze bij herhaling: 'het interesseert mij allemaal niets meer' en
zo was het ook. Het gevolg was echter dat zij langzamerhand vereenzaamde omdat
mensen uit haar vroegere vakkring haar niet meer opzochten en alle kontakten
doodbloedden. Slechts een oud-kollega, de zanger Loek van Oppen, bleef haar
trouw. Van Oppen regelde in haar laatste jaren al haar persoonlijke en financiële
zaken. Na haar overlijden erfde hij haar meeste persoonlijke bezittingen. Daaronder
bevonden zich ook de manuscripten van haar komposities.
Deze manuscripten waren in een kartonnen doos opgeborgen, die Andrée
in haar kamer bewaarde. Toen zij in 1979 van haar woning in de Tacitusstraat
te Heerlen verhuisde naar rusthuis 'Louise' te Brunssum, moest zij een groot
deel van haar inboedel wegdoen vanwege de veel geringere plaatsruimte. De doos
met komposities ging mee naar Brunssum. Het is echter niet waarschijnlijk dat
de inhoud in die tijd veel is bekeken. In het najaar 1980 kreeg Andrée
bezoek van een oud-leerling, Lodewijk Bos uit Heerlen. Ze had hem in het verleden
pianolessen gegeven. Bos studeerde op dat moment zang aan het conservatorium
te Utrecht en muziekwetenschap aan de universiteit aldaar. Hij was dus vanuit
twee vakgebieden in het werk van zijn vroegere lerares geïnteresseerd,
overwoog zelfs de mogelijkheid in de toekomst op het werk van Bonhomme te promoveren.
Volgens zijn eigen zeggen gaf Andrée hem de doos met komposities mee.
Hij mocht hem houden en met de inhoud doen wat hij wilde. Een andere lezing
gaf Loek van Oppen, waarover later.
Toen ik mij in 1981 in Limburg vestigde, raakte ik spoedig in de Limburgse muziek-
en cultuurgeschiedenis geïnteresseerd. Mijn toenmalige collegae aan het
Maastrichts conservatorium, de komponist Henri Delnooz en de muziekpedagoog
Piet Theunissen (de laatste was direkteur van de Heerlense muziekschool) waren
de eersten die mij op het bestaan van Andrée Bonhomme en haar werk wezen.
Ik was toen nog zo zeer in een oriënterende fase met 'Limburg' bezig, dat
van een bezoek aan Andrée niets gekomen is en ik haar helaas nooit heb
ontmoet. Een bezoek was werkelijk gepland, temeer daar hierop zowel door Delnooz
als door Theunissen, die uitvoeringen van haar komposities gehoord hadden sterk
werd aangedrongen. Een extra stimulans was het feit dat nergens werken van Andrée
te vinden waren, niet in de handel maar ook niet in bibliotheken en andere collecties.
Toen ik uiteindelijk een afspraak met Andrée wilde maken bleek dat zij
juist was overleden en ik werd doorverwezen naar Loek van Oppen.
Bij een eerste telefonisch kontakt bleek deze uitermate afstandelijk en niet
dadelijk bereid tot een gesprek. Er gingen ruim vier jaren voorbij. In 1986
kreeg ik de opdracht een boek te schrijven over het ruim honderdjarige 'Limburgs
Symphonie Orkest'. Tijdens de research vond ik in de archieven tal van persoonlijke
gegevens over Andrée en in de bibliotheek van het LSO de partituur van
haar 'Triptique pour Orchestre' uit 1958, haar laatste kompositie. Bovendien
verzamelde ik materiaal voor een boek over Limburgse komponisten. Dit was aanleiding
opnieuw met Loek van Oppen kontakt te zoeken. Dit eerste bezoek verliep moeilijk
omdat Van Oppen mij niet kon vertellen waar zich op dat moment de manuscripten
van Andrée bevonden. Ik probeerde via het BUMA te achterhalen wie voor
de wet op het auteursrecht de erfgename van Andrée was en kwam zo in
kontakt met mevrouw Annie Harmes - Bonhomme te Maastricht, de zuster van Andrée.
Zij wist te vertellen dat de doos met manuscripten in bezit was van Lodewijk
Bos, die op dat moment in Madrid woonde. Loek van Oppen, hiermee geconfronteerd,
beweerde echter dat Lodewijk Bos de manuscripten slechts te leen had ontvangen
en ze allang had moeten teruggeven. Kontakten met Lodewijk Bos leverden niets
op, ook niet toen anderen zich ermee bemoeiden.
Inmiddels had ik van verschillende kanten manuscripten met werken van Bonhomme
gekregen en was ik in de gelegenheid een tweetal manuscripten in een antiquariaat
te kopen. Bestudering van deze manuscripten en de ontdekking van het personeelsdossier
Bonhomme in het archief van de Heerlense muziekschool leverden voldoende materiaal
om een eerste artikel te schrijven dat verscheen in 'Harmonie en perspectief'
/ 'Zevenendertig bijdragen van Utrechtse musicologen voor Eduard Reeser' [Deventer,
1988]. Mijn artikel gaf de toenmalige stand van zaken: er waren toen zevenendertig
titels van komposities bekend; van elf bezat ik kopieën of afschriften,
van twee had ik het origineel. Bovendien waren tal van biografische en andere
gegevens bekend uit het zojuist genoemde personeelsdossier, het archief van
het BUMA, gesprekken met mevrouw Harmes en anderen; zeer belangrijk waren ook
de opnamen uit het fonogramarchief van de 'Regionale Omroep Zuid' (thans 'Omroep
Limburg'), waarover ik dank zij de medewerking van Ed Gerits, hoofd afdeling
klassieke muziek en zelf oud-leerling van Andrée Bonhomme, kon beschikken.
Bij deze opnamen was er een uit 1947 waar Andrée zelf te horen was: zij
speelde de pianopartij in haar 'Pièce en forme de Sonate' [opus 86] samen
met de Maastrichtse cellist Marcel Frère. In een reaktie op mijn artikel
schreef professor Reeser: 'Ik heb het gevoel dat een of meer composities van
haar een plaats hadden verdiend in mijn 'Stijlproeven van Nederlandse muziek'.
Nadat ik hem een cassettebandje met werken van Andrée had gestuurd schreef
hij: 'Het is jammer dat ik dit werk niet eerder heb leren kennen; het had inderdaad
een plaats in de 'Stijlproeven' verdiend!' Leverden pogingen met Lodewijk Bos
tot overeenstemming te geraken niets op, ook Loek van Oppen toonde zich niet
bereid aktie te ondernemen om de manuscripten terug te krijgen. In 1990 slaagde
mijn collega Margriet Ehlen er in, wat mij niet was gelukt, tot Lodewijk Bos
door te dringen. Zij kreeg niet alleen toestemming een groot aantal komposities
te fotokopieëren maar hoorde ook zijn kant van het verhaal. Het dilemma
bleef; de een zei: 'ik heb dit materiaal gekregen', de ander: 'hij heeft het
slechts in bruikleen en moet het teruggeven maar ik doe geen moeite het terug
te krijgen'. Toch had deze geschiedenis een goede afloop. Lodewijk Bos legde
zich na zijn afstuderen toe op de organisatorische kant van de muziekpraktijk
en besloot, nu hij zeker de komende jaren aan promoveren niet zou toekomen,
de doos met manuscripten aan mevrouw Harmes - Bonhomme over te dragen.
Dit besluit zal zeker mede in positieve zin zijn beïnvloed door Margriet
Ehlen en door Inge Harmes, kleindochter van mevrouw Harmes. In mei 1995 werd
de muzikale nalatenschap van Andrée aan mevrouw Harmes overgedragen.
Zij verzocht mij de inventarisatie te doen en stelde het materiaal daartoe tot
mijn beschikking in het Gemeentearchief te Maastricht. De inventarisatie is
gedaan in de periode 9 mei tot 14 augustus 1995. In deze periode werden alle
zich reeds in mijn bezit bevindende manuscripten plus enkele andere die toen
nog 'boven water kwamen' aan het oorspronkelijke materiaal toegevoegd. Een oproep
gedaan via het radioprogramma van Ed Gerits en Sef Adams leverde nog eens negen
tot dan toe onbekende manuscripten op. Op 15 augustus 1995 werd de volledige
collectie overgebracht naar het Gemeentemuseum te Den Haag, waar het opgenomen
werd in de afdeling archieven van Nederlandse komponisten. Een deel van de collectie,
namelijk de partituren van alle voltooide komposities, met het bijbehorende
uitvoeringsmateriaal (voor zover aanwezig), werd zowel in microfilm als
in fotokopie ondergebracht in een speciaal 'schaduwarchief' in het Gemeentearchief
te Maastricht. Hierdoor wordt het voorbereiden van uitvoeringen zeer vergemakkelijkt
en ook het bestuderen van verreweg de meeste komposities is mogelijk zonder
dat daarvoor de reis naar Den Haag behoeft te worden gemaakt.
opmerkingen over de site : webmaster@andreebonhomme.nl