
Een komponerende vrouw is vandaag de dag in het Nederlandse muziekleven geen
ongewoon verschijnsel meer, zoals een halve eeuw geleden. Ook toen kon geen
enkele Nederlandse komponist van de opbrengst van zijn komposities leven of
hij moest al van het kaliber van een Strawinsky zijn. Uit de biografieën van
komponerende Nederlandse vrouwen in de eerste helft van deze eeuw blijkt, dat
zij meestal getrouwd waren en dus leefden van het inkomen van hun echtgenoot.
Enkele uitzonderingen echter, zoals bijvoorbeeld Catharina van Rennes (1858
- 1940) hadden een inkomen uit een eigen lespraktijk. Daarin ook konden zij
hun komposities gebruiken. Catharina van Rennes, Hendrika van Tussenbroek, Saar
Bessem en nog enkele anderen legden zich speciaal op muziek voor kinderen toe
en konden door dit 'gat in de markt' verzekerd zijn van een aardig inkomen,
in het geval van Catharina van Rennes zelfs van een riant inkomen.
Een komponerende vrouw echter, die haar brood verdiende met het geven van theorielessen
aan een muziekschool met vakopleiding, moet in het muziekleven van een halve
eeuw geleden een grote zeldzaamheid zijn geweest. Dat het werk van zo'n vrouw
dan ook nog een vergelijking met het werk van al haar komponerende Nederlandse
tijdgenoten glansrijk kan doorstaan zou ons aan het denken moeten zetten. Wij,
een generatie van na de tweede wereldoorlog, vragen ons dan af: 'Hoe kan dit?
Waarom hebben de tijdgenoten dit verschijnsel niet of nauwelijks opgemerkt?
Wat heeft men in onze tijd met het werk van deze komponiste gedaan? Welke betekenis
heeft dit werk voor onze tijd en wellicht voor de komende?'
In haar eigen tijd werd Andrée Bonhomme opgemerkt, niet zozeer vanwege haar
komposities alswel vanwege haar virtuoze pianospel en haar capaciteiten als
begeleidster. Waardering voor haar werk was er weinig in die zin dat het grote
publiek nauwelijks weet had van het bestaan en uitvoeringen van haar werk in
de regel tamelijk ongeïnteresseerd over zich liet komen. Dit was overigens -
enkele gunstige uitzonderingen daargelaten - het lot van alle tijdgenoten. Veel
uitvoeringen van werken van Andrée Bonhomme zijn er bij haar leven niet geweest
en na haar dood zijn die uitvoeringen zelfs op de vingers van twee handen te
tellen. Dit zegt echter niets over de kwaliteit van haar werk en hier ligt de
betekenis voor onze tijd en voor de toekomst: het werk van Andrée Bonhomme bezit
over het geheel genomen een kwaliteit dit nadere bestudering en uitvoering volledig
rechtvaardigt. Natuurlijk heeft ook zij werken nagelaten die tonen dat zij op
het moment van komponeren nog veel moest leren maar hebben ook Bach, Mozart
of Beethoven niet dergelijke werken geschreven?
De kwaliteit van een komponist blijkt pas als zijn werk vergeleken wordt met
dat van zijn tijdgenoten of ruim genomen met dat uit zijn totale context. Een
groot komponist is pas groot als hij gedragen wordt door honderden minderen
uit zijn omgeving. Zo moet ook het werk van Bonhomme gezien worden. Als wij
dit vergelijken met dat van haar Limburgse tijdgenoten, blijkt het er kwalitatief
meestal ver boven uit te steken. Als we het vergelijken met het werk van haar
Nederlandse tijdgenoten blijkt het die vergelijking volledig te kunnen doorstaan.
Dit zijn natuurlijk subjectieve conclusies van een musicoloog/musicus die zich
de moeite genomen heeft deze vergelijkingen te maken om zijn meningen met feiten
te kunnen onderbouwen. Het zijn echter evenzeer aansporingen aan vakgenoten
hetzelfde te doen.
Dan rest de stelling dat onze tijd aan het werk van Andrée Bonhomme iets heeft
goed te maken.
HvD'96
Voor meer informatie omtrent Andrée kunnen de volgende studies zeer aanbevolen worden: